De Componenten
Hier een overzicht van alle componenten die we nodig hadden voor het maken van het printplaatje
De Weerstanden
- R1 = 100000 Ohm
- R2 = 1200 Ohm
Een weerstand is een elektrische component die de eigenschap elektrische weerstand heeft. Weerstanden worden gebruikt als onderdeel in elektrische netwerken. Voor zo'n component is er volgens de wet van Ohm een vaste verhouding tussen de aangelegde spanning en de stroom die vloeit. Deze verhouding is de weerstandswaarde, die uitdrukt in welke mate de stroom hinder ondervindt. De weerstandswaarde, kortweg ook weerstand genoemd, wordt uitgedrukt in de afgeleide SI-eenheid ohm (symbool: Ω). Een weerstand heeft een waarde van 1 ohm als een spanning van 1 volt over de component leidt tot een stroom van 1 ampère.
De Condensatoren
- C1 en C2 = elco (gepolariseerd) 10 µF / 40V (of63 V)
Een condensator is een elektronische component die is opgebouwd uit twee geleiders met een relatief grote oppervlakte, die zich dicht bij elkaar bevinden en door een isolator, het diëlektricum, worden gescheiden. De naam is afgeleid van het latijn condensare: samenpersen, dus condensator = samenperser, wat betrekking heeft op de ladingen die samengeperst worden op de polen (platen) van de condensator. De biologische celmembraan en het oppervlak van een elektrode in een elektrolyt gedragen zich ook als condensatoren. De elektronische tegenhanger van de condensator is de spoel. Waar een condensator een (grote) weerstand vormt voor gelijkstroom, en een geleider voor wisselstroom, heeft een spoel juist een grotere weerstand (impedantie) voor wisselstroom, eveneens afhankelijk van de frequentie van de wisselstroom. Condensatoren en spoelen worden toegepast in elektrische filters.
De Transistoren
- T1 en T2 = NPN transistor type BC548 (of BC547)
- T3 = PNP transistor type BC588 (of BC557)
De transistor is de belangrijkste actieve halfgeleider binnen de elektronica. Hij dient vooral om elektronische signalen te versterken of te schakelen. De transistor is de fundamentele bouwsteen van computers en vele andere elektronische apparaten. Soms worden transistors gebruikt als afzonderlijke component, maar hoofdzakelijk komen ze voor als onderdeel van geïntegreerde schakelingen.
De IC's
- IC1 = IR receiver module type VISHAY TSOP1738 of TSOP31238
- IC2 = low drop voltage regulator 78L05
Een geïntegreerde schakeling is een elektronische schakeling die niet zoals voorheen bestaat uit losse componenten op een Printed Circuit Board (PCB) of printplaat, maar waarin de schakeling en alle componenten geïntegreerd gefabriceerd zijn op een plakje silicium (Si). Zo'n plakje wordt daarna in een keramische of plastic behuizing met metalen pootjes gelijmd (keramisch) of gegoten (plastic). De term 'chip' is afgeleid van de plak silicium (wafer) die van een staaf van puur silicium (gefabriceerd uit zuiver zand; SiO2) van bijvoorbeeld 200 of 300 mm doorsnede afgezaagd wordt.
De Diodes
- D1 = Shottky diode BAT46 (of BAT48)
- D2 = 1N4148 (of PH 4148)
- D3 = IR-LED LD271
Een diode is een elektronisch onderdeel dat de elektrische stroom zéér goed in één richting geleidt, maar praktisch niet in de andere. Een diode functioneert als het ware als een elektronisch ventiel. De geleidende richting noemt men de doorlaatrichting en de andere richting de sperrichting. Dit is echter een enigszins vereenvoudigde voorstelling van zaken. Ook in de doorlaatrichting van een diode gaat pas stroom vloeien als de spanning over de diode een bepaalde waarde heeft bereikt. Pas boven deze waarde gaat de diode zich als een laagohmige weerstand gedragen. Deze doorlaatspanning is afhankelijk van het type diode. Diodes worden soms ook gelijkrichters genoemd omdat ze gebruikt kunnen worden voor het omzetten van een wisselstroom in een gelijkstroom. Men onderscheidt daarbij enkelfasige gelijkrichting en dubbelfasige gelijkrichting. De eerste diodes waren radiobuizen in de vorm van een vacuümdiode. Ze gebruikten het effect van de emissie van elektronen rond een gloeidraad. In een normale gloeilamp werd een extra elektrode geplaatst, anode genaamd, die de vrije elektronen elektrostatisch kon aantrekken en opvangen. Omdat de elektronen alleen van de gloeidraad naar de anode kunnen vloeien en niet omgekeerd, werkt deze constructie als diode. Deze combinatie van gloeidraad en elektrode werd in 1904 uitgevonden door John Ambrose Fleming, de wetenschappelijke adviseur van de Marconi Company en was gebaseerd op een observatie van Thomas Edison. Alhoewel de vacuümdiode nog steeds voor speciale toepassingen wordt gebruikt, zijn de meeste diodes tegenwoordig halfgeleiderdiodes. Een dergelijke diode bestaat uit een n-gedoteerd gebied, direct grenzend aan een p-gedoteerd gebied, waardoor er een pn-overgang ontstaat met de gewenste diode-eigenschap.